In zo een tijd te leven

Een ode aan het verzet in Valkenburg.
Terug naar
Homepage

17 September 2014 werd de compositie In zo een tijd te leven in première uitgevoerd tijdens de herdenking van 70 jaar bevrijding in Valkenburg.
Het is een ode aan het bijzondere verzetsverleden van Pierre Schunck  die samen met een groep Valkenburgers als reactie op de bezetting, zeer succesvol een ondergrondse  georganiseerd had in de jaren ’40-’44. De kapelaan, de koster, de garagehouder, de ondernemer, de politieman, de stationschef en zo meer, zij boden hulp en maakten plannen om anderen te helpen, mensen  voor wie die hulp vaak een kwestie van leven of dood was. Niet onbelangrijke bijkomstigheid was ook nog dat er in Valkenburg bovengemiddeld veel NSB-ers woonden. Himmler persoonlijk vestigde er een Reichsschule voor Jungmannen. Als directe consequentie van hun slagvaardigheid was er het enorme risico dat ze namen t.a.v. van zichzelf en hun dierbaren.
Mij sprak daarnaast aan de geweldloosheid die deze groep voorstond. Hun grootste in het oog springende wapenfeit, een overval op hetdistributiekantoor waar ze o.a. grote hoeveelheden bonnen wisten te bemachtigen, lukte zonder groot geweld. Het verhaal dat de kern van deze compositievormt wordt verteld door de twee nog levende zonen van de verzetsleider, Leo en Arnold Schunck. De door  deze twee broers vertelde historie is niet alleen spannend en zeer bijzonder, het gaat ook over keuzes die je als mens soms in je leven moet maken.
De compositie is ontstaan in een nauwe samenwerking tussen mij en componist/arrangeur Marco Mlynek. 

De uitvoerende muzikanten waren:
Germaine Sijstermans: klarinet, basklarinet
Vinesh Dijkstra: klarinet
Marco Mlynek: arrangement, gitaar
Marc Alberto: stemsamples, directie

Na afloop van het concert werd ik aangesproken door een van aanwezigeAmerikaanse oud-bevrijders, de 97-jarige Frank Towers uit La Crosse Florida.Hij was in 1944 lieutenant en werkte als verbindingsofficier. In zijn jeep crosste hij o.a. tussen Valkenburg en Gulpen om berichten over te brengen. De telefoon was niet te vertrouwen (Feind hört mit) en radio’s functioneerden slecht tussen al die Limburgse heuvels. De namen van de plaatsen die door zijn divisie bevrijd waren sprak hij nu nog steeds op correct Nederlandse manier uit: Eijsden, Mesch, Mheer, Noorbeek, Maastricht, zelfs Kerkrade. Nog maar drie maanden daarvoor 15 Juni ’44 waren ze geland op Omaha Beach in Normandië. Ze vochten bij st. Lo en Caen en zo verder naar het noorden, de Duitsers voor zich uitdrijvend. Zijn verhaal kreeg een wending toen hij vertelde hoe ze eenmaal in Duitsland, in april ’45 in de buurt van Magdeburg een aantal treinwagons ontdekten.
Deze zaten vol met overwegend Joden uit Bergen Belsen. Ze konden niet geloven wat ze zagen: de mensen waren zo dicht opeengepakt dat ze enkel konden staan, er was geen plek om te zitten of te liggen dus moesten ze blijven staan tot ze instortten van uitputting. Er was enkel een emmer in de hoek van de wagon, die de meesten helemaal niet eens konden bereiken. Dat had tot gevolg dat men zijn behoeft zomaar liet lopen. De stank, de vernedering, ‘the looks of those people, less than animals’. De stank was zo ondragelijk dat veel van de soldaten weg moesten gaan en overgaven.
Ze hadden altijd geloofd dat de verhalen over de Duitse wreedheden zwaar overdreven waren. Duitsland, een hoog culturele natie hoefde slechts bestreden te worden vanwege het fascisme, daarvoor waren ze gekomen. Daaronder bleek een onbeschrijflijke kwaadaardigheid schuil te gaan. 

 


Bij de foto boven: gezicht op Tienschuurstraat, Valkenburg centrum.
Bobby Cok, Herman Cok, Marlies Flachs, Jules Flachs. 
Bobby en Herman Cok, twee Joodse kinderen logeerden
bij de familie Bemelmans en zijn met hun moeder door de Duitsers opgepakt.